atlas vertaalbureau menu

Over vertalen gesproken… (door Jalila Hida. Oujda, juli 2018)

Ik ben thuis de oudste, met twee zussen en drie broers. Voor mijn ouders was ik de belichaming van de eerste zegen in hun leven: nageslacht kunnen voortbrengen. Mijn ouders zijn beiden afkomstig uit een gebiedsstrook die tussen de Franse en Spaanse koloniale territoria viel, en waar Frans en Spaans werden gesproken. Maar in die regio, in het Noordoosten van Marokko, waren mensen al van huis uit tweetalig; sinds de arabisering van Marokko sprak men daar Tamazight (Berbers) en Marokkaans-Arabisch. Meertaligheid die verankerd was in de dagelijkse werkelijkheid was dus het gezamenlijke geschenk van geschiedenis en geografie aan mijn familie.

Als kind was ik gefascineerd door de verscheidenheid aan talen en de manier waarop men met elkaar communiceerde binnen mijn directe omgeving. Later besefte ik dat patronen binnen een bepaalde taal heel anders kunnen zijn in andere talen van de wereld. Dit liet mij met een bewonderend oog naar taal kijken, en leerde mij dat er verschillende manieren zijn om iemands eigen bestaan uit te drukken, en dus ook om dat in te vullen. Mensen, hun talen en culturen waren en zijn nog steeds mijn grootste passie.

Op de middelbare school zat ik op voorbereidend wetenschappelijk onderwijs. Hoewel talen daarbij minder belangrijk waren dan exacte vakken, werd ik door mijn docenten Frans, Arabisch en Engels aangemoedigd om deel te nemen aan lokale schrijfcompetities voor leerlingen. Ik weet nog goed dat ik de eerste prijs in mijn lyceum won voor een prozatekst in het Frans, die tevens gepubliceerd werd in het Franstalige Dagblad L’Opinion. Ik was toen maar veertien jaar oud. Daarna bleef ik, tot mijn achttiende, regelmatig schrijven voor L’Opinion des Jeunes, een bijlage van L’Opinion, die voor jongeren bestemd was, en drie keer per week verscheen. Door het toentertijd gespannen politieke klimaat en gebrek aan vrijheid van meningsuiting in Marokko, zelfs voor jonge amateurs, werd ik indirect gedwongen om te stoppen met het insturen van stukken naar die krant. In december 1990 heb ik een laatste stuk geschreven over de eerste Golfoorlog (2/8/1990 – 28/2/1991), maar volgens mijn docenten paste het artikel noch in de schoolkrant noch in L’Opinion des Jeunes, vanwege de scherpe toon. Sindsdien zwegen mijn pen en ik in volledige compliciteit.

Een jaar later herontdekte ik de bibliotheek van mijn vader, en kwam ook erachter dat ik mooi in het Arabisch kon schrijven. Heel curieus. Ik volgde toen namelijk een opleiding tot docent Frans aan Centre Pédagogique Régional in Oujda. De bibliotheek van mijn vader was tweetalig. De boeken, tijdschriften en academische studies waren in het Arabisch of het Frans, maar de meest interessante boeken waren oorspronkelijk in het Arabisch geschreven of uit een andere taal naar het Arabisch vertaald. Hoewel mijn vader rechter van beroep was, las hij in verschillende domeinen, mede door zijn studies in drie vakgebieden: Arabische literatuur, Recht en Pedagogie. Uit onze bibliotheek thuis koos ik dikwijls filosofische en sociologische boeken, maar ook vertaalde literatuur (uit en naar het Arabisch) van wereldberoemde schrijvers zoals Leo Tolstoj en Taha Hussein. Ik las ook regelmatig artikelen uit honderden tijdschriften die mijn vader vanaf zijn studiejaren in Fes en Rabat verzamelde, ver voor mijn geboorte. Uit het Franse Paris-Match en het Arabische Al-Arabi, las ik de rubrieken Psychologie, Geschiedenis en korte verhalen. Lezen en schrijven in stilte werden mijn habitus tot ik in de herfst van 1995 Marokko verliet voor Nederland. Afscheid nemen van boeken, die mijn moeder netjes rangschikte naar vakgebied met Arabisch rechts en Frans links op de planken, en de dozen vol tijdschriften die zij in muffe diepe muurkasten opborg, en waar ik graag kroop op zoek naar indringende verhalen om te lezen, was afscheid nemen van mijn habitus.

Als nieuwkomer in Nederland, kende ik het land al een beetje omdat ik het eerder met mijn familie had bezocht. In dezelfde week van mijn aankomst in Rotterdam, was ik ingeschreven op Erasmus Universiteit voor de opleiding Sociologie. De week daarop mocht ik met een voorbereidende intensieve cursus Nederlands beginnen. Na zes maanden heb ik het staatsexamen behaald, wat een recordtijd was. Het NT2 (Nederlands als tweede taal) programma, dat ik in opdracht van de universiteit gevolgd had, was zwaar academisch. Daardoor sprak ik op een nogal houterige manier, en kon niet altijd het juiste taalregister toepassen. Ik wist bijvoorbeeld niet in simpele taal mijn Hollandse buurman te vertellen hoe het bereidingsproces van Marokkaanse tagine in elkaar zit. Maar, gek genoeg, was ik in staat om prachtig te vertellen hoe specifieke kenmerken van de Nederlandse cultuur en de mentaliteit van Nederlanders verklaard kunnen worden door de overvloedige aanwezigheid van water.

Dit was een probleem. Een presentatie over een “serieus” onderwerp zoals overstromingen in de geschiedenis van Nederland kon ik keurig geven. De voorbereiding daarop deed ik alleen, in mijn studeerkamer, met behulp van naslagwerken en woordenboeken. Maar wat ik zelf wilde is onder de mensen leven, over koetjes en kalfjes met ze praten, in hun taal die mijn nieuwe taal was geworden: Nederlands. Vanzelfsprekend was Nederlands een communicatiemiddel dat ik noodzakelijkerwijs in mijn dagelijkse leven gebruikte. Maar het was ook een verse nieuwe deeg die ik in mijn oude taalstructuren kon gieten, en ermee spelen. Een spel dat de wereld om me heen een nieuwe dimensie gaf, en mezelf een frisse zelfuitdrukking verschafte. Mijn verlangen was om mijn nieuwe taal te beleven, niet om puur pragmatisch als reddingsmiddel in een nieuwe maatschappij te gebruiken. Taal was en is voor mij absoluut meer dan een instrument.

Zo heb ik mijn oorspronkelijke studieplan bijgesteld. Ik heb besloten een beroepsopleiding bij de Sociale Academie te volgen, in plaats van Sociologie. Dit terwijl ik in het bezit was van een gelijkgeschakeld diploma tot docent Frans waarmee ik in Nederland aan de slag kon, na slechts één jaar bijscholing. Onderwijssector was mij niet vreemd, maar sociaal werk en het gehele stelsel van de verzorgingsstaat boeide mij enorm. Dat komt door het feit dat zoiets als geïnstitutionaliseerd sociaal- of hulpverleningswerk maar een utopisch concept was in het Marokko waar ik opgroeide. In het bijzonder in Oujda en omstreken en het hele rif gebied. In mijn tijd, onder het bewind van koning Hassan II werd dit deel van het land nog steeds behandeld als le Maroc inutile (het onbruikbare Marokko), zoals de Franse kolonisator bepaalde streken noemde. De Marokkaanse regering had immers L’Oriëntale (oostelijke provincie) het rif jarenlang de rug toegekeerd. Zo was de schaarste aan instituties en voorzieningen op flagrante wijze in tegenstrijd met mijn ambitie als jonge studente in Oujda. In Nederland was het anders. Het nobele idee van studeren om mensen vakkundig hulp te verlenen vervulde mijn naïeve behoefte om een deugdzame burger te zijn. Mijn keus viel dan op een deeltijdopleiding tot maatschappelijk werker waar theorie en praktijk mooi in balans waren. Naast colleges op de hogeschool, moest ik ook in het werkveld praktisch bezig zijn. Mijn zoektocht destijds naar een stageplek eindigde met het tekenen van een contract voor een betaalde baan bij het centrum voor dienstverlening in Rotterdam. Ik kreeg bovendien recht op interne begeleiding omdat ik nog in opleiding was. In de regeerperiode van de eerste en tweede Kokkabinetten (paarse kabinetten) was zoiets mogelijk. Ministers voor Grote Steden- en Integratiebeleid brachten indertijd werkbezoeken aan welzijnsorganisaties in de “achterstandswijken” en kwamen met geld en hoop. Dit was niet iets wat ik in de krant las. Als kandidaat maatschappelijk werkster ontmoette ik toenmalige minister Roger van Boxtel persoonlijk. Ik mocht hem ook vragen stellen over de toekomst van een buurtproject dat ik destijds had opgezet voor Marokkaanse vrouwen. Dat gebeurde tijdens een werkbezoek dat hij bracht naar een aantal welzijnsorganisaties in het Oude Noorden, een buurt van deelgemeente Rotterdam Noord. De subsidies waren beschikbaar en de wil om nieuwe trouwhartige burgers, zoals ik, in de sociale arbeidsmarkt te laten participeren was waarneembaar. Dat was gunstig. Echter, bij de combinatie studeren en werken, telden voor mij andere zaken zwaarder: de schoonheid van het weten, de kick van presteren, de aansluiting van de aangeboden kennis en vaardigheden bij mijn interesses, het sociale contact met mijn collega’s en de mogelijkheid om theorie in de praktijd te toetsen, of minstens ernaar te streven. Ik kreeg alles wat ik nodig had. Op het werk bevond ik me onder de mensen: cliënten, collega’s, bezoekers van het gebouw, enz. En op school behaalde ik met alle gemak de hoogste scoren bij psychologie, sociologie en rechten, ondanks het feit dat ik met mijn Prisma woordenboekjes Nederlands-Frans naar de les ging. Nederland was destijds paars. En ik was euforisch.

In de eerste tien jaar van mijn verblijf in Nederland heb ik gestudeerd, gewerkt, gesport, gereisd, vrijwilligerswerk gedaan, en nog veel meer. Daarenboven werd mijn wens vervuld: voelen, dromen, beminnen en vloeken deed ik nu in het Nederlands. Mijn tweede beroepsopleiding had ik ondertussen al behaald, terwijl ik als docent NT2 bij het regionaal opleidingscentrum Albeda College in Rotterdam werkte. Maar wat nu? Uitgeleerd was ik niet. Wellicht wel uitgekeken. Een melancholisch gevoel bekroop mij en bleef mij treiteren tot het plotseling glashelder in mijn hoofd werd: ik wilde verder studeren.

Hoe taal ons denken beïnvloedt is nog een open vraag voor taalonderzoekers. Maar voor mij was denken in meerdere talen meestal nuttig, hoewel soms vermoeiend. Denken in een Germaanse taal, naast de andere ingebakken taalsystemen in mijn brein, hielp mij blijkbaar om vernuftig over mezelf te reflecteren. Ik wist wat ik wilde en nam de gedurfde beslissing om mijn vaste baan als taaldocent na vijf jaar in te leveren en terug naar school te gaan. Studeren op zich was niet mijn ultieme doel, maar een pad naar nieuwe taalwerelden. Een excuus om de liefde voor woorden en taalbeelden wakker in mij te houden. Mijn keus viel op de opleiding Midden-Oosten Talen en Culturen aan Universiteit Leiden, met als accenttalen Arabisch en Perzisch. In mijn rijke studietijd in Leiden, was kennis maar een onderdeel van het geheel. De studie was vooral een aaneenschakeling van belevingen en avonturen. Nieuwe talen leren ontleden, codicologische manuscripten aanschouwen, trektochten door het Midden-Oosten en Noord-Afrika, conventionele denksystemen vernietigen en weer heropbouwen, etc.

Tijdens mijn studie werd ik aangemoedigd door mijn docenten die tevens professionele vertalers Nederlands-Arabisch waren, om iets met mijn vertaalvaardigheden te doen. Zo begon ik vanaf mijn tweede studiejaar vertaalopdrachten van externe klanten aan te nemen. Vertalen als discipline was overigens sterk aanwezig binnen de opleiding. Niet alleen bij taal- en vertaalkunde of de werkcolleges literair vertalen, maar ook bij de multidisciplinaire colleges Antropologie van het Midden-Oosten, Islamitische filosofie en dergelijke. In die context was het voor mij sterk inspirerend om een figuur als Hunayn ibn Ishaq (Latijnse naam is Johanitius) te ontdekken. Deze Nestoriaanse christen fysicus en arts, was de hoofdvertaler bij het Huis van Wijsheid in het middeleeuwse Bagdad. Hij vertaalde uit het Oudgrieks naar het Arabisch, de lingua franca in het Abbasiedische Rijk (750 tot 1258). Zijn vertalingen van Plato, Aristoteles, Galen Hippocrates en de neoplatonisten maakten de belangrijke bronnen van het Griekse denken toegankelijk voor zijn contemporaine filosofen en wetenschappers, en zijn werk werd wijd verspreid door Mesopotamië, Syrië en Egypte. Veel van zijn manuscripten zijn door de eeuwen heen verloren gegaan, niettemin maakten zijn vertalingen dat Europa later Oud-Griekse en Romeinse werken op het spoor kwam. Het transmissiepad was voornamelijk Sicilië en Spanje van de twaalfde en dertiende eeuwen. In de Spaanse stad Toledo, in het bijzonder, vond er een unieke uitwisseling van ideeën plaats tussen christelijke, joodse en moslim geleerden. Hierdoor werden werken uit de Klassieke Oudheid herontdekt, vertaald en weer beschikbaar. De middeleeuwse Moslim filosoof en geleerde Averroes (Córdoba, Spanje 1126 – Marrakesh Marokko 1198) heeft destijds de werken van Aristoteles herontdekt en de vertalingen uit het Arabisch vergezeld van Arabische commentaren. Aanvankelijk waren de Latijnse vertalingen van Aristoteles gebaseerd op Arabische vertalingen van diens werken, maar later werd er rechtstreeks op Griekse originelen teruggegaan. Die toevloed van nieuwe kennis was cruciaal voor de terugkeer van de rede en de opkomst van de moderne wetenschap in Europa, en bijgevolg ook voor de overgang naar de Renaissance en de Moderne Tijd.

Vertalen is dus bruggen slaan, niet alleen tussen talen, maar ook tussen tijdperken. De operatie van het vertalen op zich is dikwijls een oefening voor een gezonde mentale conditie en tegelijk een soort toeverlaat. Als lezen ons de kans geeft even een stap naar achteren te nemen om te bezinnen, laat vertalen ons diepere bezinningsonderlagen koesteren. Het passeren van het vertaalde naar de vertaling is immers geen banaal uitje. Dat is een overgang die ons steeds op de proef stelt. Dat is een kwestie van onvoorwaardelijke liefde. Een kwestie van lange adem. Zo komen wij bij een geslaagde vertaling tot het herscheppen van een tekst. Wij geven de vertaalde tekst een nieuw leven in een andere taalwereld met nieuwe noten, beelden en kleuren. Hoe klein de tekst die wij ook vertalen, blijft de energie, die voortvloeit uit deze akte van herscheppen, onbegrensd.

Ik was pas afgestudeerd in Leiden toen de jasmijnrevolutie op 18 december 2010 uitbrak in Tunesië. Dan volgde met de eerste maand van 2011 een golf van opstanden, revoluties en burgeroorlogen in de hele regio van Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Gedurende twee volle jaren, heb ik de gebeurtenissen in tien landen onafgebroken gevolgd. In de geschreven pers, via de sociale media en soms ter plekke. Een overvloed aan berichten en (video)beelden uit Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Egypte, Jordanië, Syrië, Irak, Yemen en Nederland overlaadde mij aan de orde van de dag. De revolutie in Egypte, in het bijzonder, volgde ik op de voet. Ik deed ook op een intensieve wijze mee aan facebookdiscussies met vrienden, die ik tijdens mijn studieverblijf in 2006 daar heb leren kennen, en tientallen nieuwe facebookcontacten uit de hele Arabisch sprekende wereld. Maar…wat was die ‘Arabische lente’ in feite? Een revolutie? Of gewoon een tragische illusie zoals de Franse historicus Bernard Lugan die noemt? Of misschien was de “Arabische Lente” toch “een historisch belangrijke gebeurtenis, die vele machtige belangen bedreigde” zoals Noam Chomsky in 2013 zei. Wat ik zelf weet is dat ik er geen antwoord op weet.

De euforie door het beleven van nieuwe talen en culturen, en nieuwe vormen van geluk had bij mij tamelijk lang geduurd. Pas toen een crisis in mijn privé leven met het verduren van de ‘Arabische lente’ samenviel, verzonk ik in melancholie en onverschilligheid. Die pijnlijke periode kan ik niet meer reconstrueren om de simpele reden dat ik toen goed in de war was. Toch heb ik op een helder moment mijn facebook account permanent gesloten en besloot ook geen kranten meer te lezen. Het was mijn revolutie. Ik vertrok kort daarna voor een lange reis door het Midden-Oosten, Zuidoost-Azië en Australië. Observeren was het uiterste wat ik gedaan heb tijdens mijn reis. Ik volgde het nieuws niet, schreef en vertaalde niets. Het was stil. In alle talen, stil. Na maanden buiten Nederland geweest te zijn, zat ik op een ochtend weer thuis in mijn zonnige zuid-gerichte achtertuin. Ik had drie dingen gemist: Marokkaanse muntthee, Hollandse patat met mayonaise en de universiteit aan de witte Singel in Leiden. Ik besloot mij in te schrijven voor de Master opleiding Islam in the Contemporary West, met als centraal vak: Piety, Modernity, and Gender in Islam: Anthropological Perspectives.

In afwachting op de start van de opleiding, begon ik achtergrondliteratuur te lezen. Een groot deel van mijn lectuur was rond de onderwerpen taal en cultuur, het zelf, de maatschappij en haar structuren en de evolutie van de mens binnen zijn gemeenschap. Michel Foucault die ik als jonge puber las, vatte ik nu anders op. Noam Chomsky, mijn favoriete taalkundige en filosoof tijdens mijn pedagogische opleiding in Marokko, vond ik nu nog net zo productief als destijds, met ideeën die moeilijk te weerleggen blijven. Gayatri Spivak, Judith Butler, Talal Assad, Charles Hirschkind en anderen waren voor mij net zo verwarrend als boeiend in hun analyses vanuit een postkoloniaal perspectief. Vooral het idee van islam als discursive tradition, dat de Amerikaanse antropoloog Talal Assad introduceerde, vond ik uitdagend. In zijn analyse, baseert hij zich op de filosoof Friedrich Nietzsche en Michel Foucault. Het concept komt sterk terug in het werk van zijn leerling Saba Mahmood, hoofddocent sociaal-culturele antropologie aan University of California, Berkeley. Haar boek Politics of Piety, The Islamic Revival and the Feminist Subject was overigens centraal in het Masterprogramma van mijn keus. De thesis van Saba Mahmood in haar ‘Politics of Piety’ heeft mij erg geprovoceerd, maar heeft mijn appetijt voor studie op een hartstochtelijke manier verwekt.

Tussen 2011 en 2014 werd mijn innerlijke evenwichtscapaciteit hevig beproefd. Eerst werd ik ondergedompeld in de geest van de ‘Arabische Lente’ en haar dagelijkse verwikkelingen tot ik een ziekelijk verzadigingspunt bereikte. Daarna volgde een vastenperiode waar ik de consumptie van nieuws tot het laagste minimum reduceerde. Ik las dan incidenteel een interessante analyse over geopolitiek en machtsverhoudingen, en negeerde doelbewust de diarree aan berichten over dagelijkse incidenten. Het werd toch een tijd van studie, onderzoek en veldwerk. Stichting Attanmia in Rotterdam ontwikkelde (in samenwerking met Universiteit Utrecht) een nieuw initiatief op het gebied van opvoedingsondersteuning binnen Nederlandse gezinnen van buitenlandse afkomst. De buurt waar Attanmia haar nieuwe project startte, was dezelfde buurt waar ik, in mijn tweede verblijfjaar in Nederland, mijn multiculturele vrouwengroep had opgericht. De stichting heeft mij de inhoudelijke coördinatie en de monitoring van het project toevertrouwd. In ruil daarvoor mocht ik mijn werk binnen dit project aan mijn studie Islam in the Contemporary West koppelen. Zo heb ik een veldonderzoek verricht naar de mate waarop cursussen over opvoedingsondersteuning aansloten bij de behoeften en wensen van de moslim deelnemers. Omdat ik voor ‘participerende observatie’ als onderzoeksmethode koos, probeerde ik als onderzoeker een nauwe band op te bouwen met mijn doelgroep. Om die reden heb ik gedurende ruim drie jaar zelf trainingen over opvoeding gegeven. Voor het onderzoek heb ik tientallen vrouwen uitgebreid geïnterviewd, zowel moeders als professionals, maar ik heb in die tijd ook intensief getolkt en vertaald van het Arabisch naar het Nederlands en omgekeerd.

Mijn veldonderzoek liep hand in hand met mijn werk binnen het project waardoor ik mij aan het trage proces van het project moest aanpassen. Mijn afstudeerfase was dus alles behalve druk. Daardoor kreeg ik ruimte om nog een klus erbij te nemen. Ik ging dan als projectcoördinator werken bij een commercieel bedrijf dat de hospitalisatie van oorlogsslachtoffers uit Libië regelde, in Nederland en België. Ik coördineerde de gesprekken met ziekenhuizen in beide landen en was het aanspreekspunt voor artsen en zorgondernemers uit Libië. Daardoor kreeg ik de unieke kans om het naoorlogse Libië te bezoeken in een tijd waar een negatief reisadvies naar dat land gold. Ik reisde dus op mijn eigen risico. Het was anderhalf jaar na de dood van Moammar al-Qadhafi. Toen ik terug in Nederland kwam en iemand mij vroeg hoe ik dat bezoek had ervaren, antwoordde ik dat het een leerzaam maar vooral vernuchterend avontuur was. Echter, wat ik daar met mijn eigen ogen aan verwoesting en ellende zag, en wat ik bij mijn gesprekken met Libiërs ondervond, heb ik nog niet met woorden kunnen beschrijven. Aan niemand. Na een bezoek naar de ambassadeur van Nederland in Tripoli, mochten wij aan de slag. De dag erop, namen mijn Nederlandse team en ik de weg van Tripoli naar Misurata. Wij reden toen mee met twee Libische artsen langs de Middellandse Zeekust. Door de gevaarlijke toestand in het gebied hadden wij onze bestemming niet kunnen bereiken, maar kwamen wel langs de ruïnestad Leptis Magna, de geboortestad van Lucius Septimius Severus, keizer van Rome van 193 tot 211. Uit fatsoen en respect voor mijn medereizigers, kon ik niet de toerist uithangen of zelfs maar iets uiten over de schoonheid van het werelderfgoed uit de oudheid. De uitgesproken missie op dat moment was namelijk het inventariseren van oorlogsslachtoffers uit de regio en lucratieve deals sluiten. Ik vroeg mij wel stiekem af of Libiërs, hun kinderen of zelfs kleinkinderen ooit hun land in vrede zouden zien en van de prachtige kust aan de Middellandse Zee, met de uit Sahara verzengende wind, zouden leren genieten. Het was voor mij lastig om niet te projecteren. Mijn grootouders, afkomstig uit het noordoosten van Marokko waren bezielde verzetsstrijders tegen de Spaanse en Franse kolonisators. In de jaren vijftig van vorige eeuw vochten zij voor onafhankelijkheid en vrijheid van hun volk in Marokko en hun lotgenoten in buurland Algerije. Maar, plukken hun nakomelingen nu de vruchten ervan? Driekwart van de kleinkinderen van deze vrijheidsstrijders, onder wie ikzelf, zitten nu, na twee generaties, verspreid in de diaspora. De enige troost is dat vele van hen de eeuwige strijd voor vrijheid, in al haar gedaanten, nog steeds aan het voeren zijn. Vroeger dacht ik dat Marokko maar een litteken aan de tijd van de Franse protectoraat had overgehouden, en dat Algerije door de honderddertig jaar Franse bezetting een echt open wond had. In 2013 merkte ik dat Libië één en al bloedende verwondingen was.

Iets betekenen voor oorlogsslachtoffers in Libië deed ik graag. Bovendien kreeg ik binnen mijn werk alle ruimte om veelzijdig werk te verrichten. Toch, waren er dingen die niet klopten. Ik begreep wel dat verzakelijking in de zorg niet per se strijdig met de betrokkenheid van de zorgwerknemer was. Echter, het ontmenselijken van cliënten, door ze als bundels van vragen te beschouwen, vond ik degraderend voor mijn werk. Gejaagde business vergaderingen tussen grote Europese bedrijven en Libische geldverstrekkers, was niets voor mij. En het leed van een kapot volk in geld genererende Excels verwerken, vond ik ronduit goedkoop. Had ik iets met de objectivistische morele leer van Ayn Rand, dan had ik projecten met een naoorlogse olieland gezien als een stuk van een taart, die in alle gevallen onder gelukhebbers verdeeld ging worden. In een kort tijdsbestek had ik dan een fortuin gemaakt om de rest van mijn leven niet te hoeven werken. Maar daarvoor was ik te Noord-Afrikaans. Te trots. Te trouw aan de heroïsche verhalen van mijn grootouders waarvan één nog leeft, en nog steeds fier in het Tamazight (Berbers), Arabisch en Frans over zijn verzetsstrijd vertelt. Na het afronden van mijn taak bij de eerste fase van het project, ben ik vetrokken, met het excuus dat ik mijn afstudeerscriptie moest schrijven. Ik was verlost. Behalve een stekel in mijn hart voor bloedende Libië, heb ik een paar waardevolle vriendschappen uit die periode overgehouden.

December 2013 ben ik door gezinsomstandigheden naar België verhuisd. Het nieuwe vrijstaande huis lag aan de Klinkaardstraat, vlakbij de Kalmthoutse heide, precies op de grens tussen België en Nederland. Vanaf de eerste week in deze prachtige woonomgeving tussen twee landen in, wist ik dat ik een vertaalbureau wilde oprichten. Thuis, had ik al een werkplek ingericht waar ik passages uit mijn favoriete boeken uit of naar het Arabisch vertaalde. Maar ik nam ook betaalde en onbetaalde vertaalopdrachten aan, voornamelijk uit Nederland. Gauw kreeg ik de gewoonte om op zaterdag te voet naar de grens te wandelen. In de winkelstraat die door twee grensdorpen loopt: Belgische Kapellen-Putte en Nederlandse Putte (gemeente Woensdrecht) nam ik twee koffies. De eerste in België en de tweede in Nederland. De twee cafés die ik bezocht liggen tegenover elkaar op het kruispunt dat de twee landen scheidt. Vanuit België keek ik naar de drukke winkelstraat aan de overkant waaruit luidruchtige stemmen kwamen en een vertrouwd Nederlands accent. En daarna, vanuit Nederland naar de kalme Belgische Putte waar hier en daar elegant geklede koppels verschenen. Op den duur werd het een tic. Kom ik nu daar, dan moet ik mijn ritueel doen.

Enkele maanden later, toen het net begon te bloeien, vertrok ik op de fiets via Putte richting het eerste volgende dorp in Nederland. Tot dan nam ik steeds de weg naar Nederland rijdend door Essen of vanuit Schoten. Tijdens mijn verkenningstocht, rustend op de zachte zadel van mijn vrouwenvelo, heb ik een heimelijke ontdekking gemaakt. Ik zag wegwijzers naar Ossendrecht. Zou het Ossendrecht van 1998 zijn?, vroeg ik me af. Inderdaad! Deze plaats had ik als studente aan de hogeschool bezocht tijdens mijn allereerste opleiding in Nederland. In het kader van de colleges ‘praktijk en hulpverleningstechnieken’, moest ik als tweedejaars studente toen workshops volgen in een soort werkkamp. Wij verbleven drie of vier dagen in de voormalige Volksabdij Onze Lieve Vrouw ter Duinen, midden in een uitgestrekt natuurgebied. Wandelingen in het bos, een mooie toespraak van een gewaardeerde docent Ethiek, groepsspelen, zeer matige avondmaaltijden, kerkgeuren… Dat wist ik allemaal, als of het de dag ervoor was. Zelfs de plek van een groepsfoto van mijn klas, kon ik gemakkelijk traceren. Het verblijf daar mocht toen ook op de geboorte van een liefdesrelatie tussen twee medestudenten getuigen. Die waren een jaar later getrouwd en ik weet nog dat zij met de opleiding was gestopt wegens zwangerschap. Gegraveerde herinneringen. Sinds 2002 is de stichting van de Volksabdij veranderd, de kamers zijn gerenoveerd, en het restaurant uitgebreid (restaurant De Blauwe Pauw is toen ook ontstaan). De lente na mijn ontdekking was schitterend, en dat afgelegen bosgebied kreeg voorgoed een warme plek in mijn hart. Ik ging later nog honderden kilometers op de fiets afleggen richting Ossendrecht. Nu nog steeds heb ik de gewoonte mijn Nederlandse en Belgische vrienden daar op een café te trakteren en het verhaal van mijn dubbele migratie, dubbele cafés en geliefde Ossendrecht te vertellen.

Het lot wilde dat ik niet meteen mijn eigen zaak oprichtte. Eerst was er een tijd voor nostalgie. Daarna heb ik eerst nog drie jaar als trajectbegeleider bij een werking van de Stad Antwerpen gewerkt. De dienst heet Atlas Inburgering en Integratie, en ligt aan de rand van Borgerhout, vlakbij het centraal station van Antwerpen. Als Nederlander van Marokkaanse afkomst in Antwerpen werken was op zich een onbetaalbare levenservaring. Bovendien had ik geluk dat er in die tijd gereorganiseerd werd waardoor ik in twee verschillende teams mocht zitten. Het rendement was dus dubbel. Collega’s die ik in beide teams en daarbuiten heb leren kennen, had ik voor geen goud willen missen.

Nu is het zover. Ik ben vertaler in hoofdberoep en eigenaar van Atlas vertaalbureau. Atlas is behalve een figuur uit de Griekse mythologie, ook de naam van een gebergte die dwars door Marokko snijdt. Maar ik heb mijn vertaalbureau Atlas genoemd naar mijn laatste werkgever Atlas. Uit dankbaarheid!